Hoogleraar sociale zekerheid en participatie aan de Universiteit Utrecht Cok Vrooman maakt de balans op na bijna een jaar pandemie. Pandemie verscherpt tegenstellingen tussen klassen, niet tussen jong en oud.

sunset-3156176_1280

Hoogleraar sociale zekerheid en participatie aan de Universiteit Utrecht Cok Vrooman maakt de balans op na bijna een jaar pandemie. Zijn conclusie: de coronaperiode raakt ouderen en jongeren verschillend, maar brengt geen scheidslijn naar leeftijd tot stand. Wel dreigt ze de klassentegenstellingen te vergroten.

Door Cok Vrooman
16 december 2020

Mensen vanaf 60 jaar liepen dit jaar het meeste risico om door het SARS-CoV-2-virus geïnfecteerd te worden, in het ziekenhuis te worden opgenomen en op de intensive care te belanden. Dat was vooral het geval bij mannen, en wanneer de infectie gepaard ging met bestaande gezondheidsklachten, zoals obesitas, longaandoeningen of een verzwakt immuunsysteem.

Door de ontstane druk op het zorgstelsel kregen ouderen de afgelopen maanden bovendien relatief vaak te maken met uitgestelde diagnoses en therapie, zoals kankerbehandelingen en hartoperaties die niet door konden gaan. Zij hadden tevens last van het wegvallen van mantelzorg, terwijl daar bijvoorbeeld door het sluiten van de dagopvang voor dementerende ouderen meer behoefte aan was. De eenzaamheid groeide, vooral onder 75-plussers.

In economisch opzicht bleef de positie van ouderen tijdens de pandemie verhoudingsgewijs stabiel. Wie nog in loondienst was, had vaak een vast contract, voor anderen vormden de AOW en het aanvullend pensioen een zekere inkomensbron. Het financieel vermogen van ouderen werd in het algemeen niet aangetast: de huizenprijzen namen verder toe, en de gemiddelde waarde van aandelen steeg sinds het begin van de pandemie met ruim 40 procent.

Jongeren anders geraakt

Bij 18-30 jarigen was de kans op virusbesmetting tot voor kort laag. Wel bestond ook bij hen een verhoogd risico op een ernstig verloop van de ziekte als zij al ongezond waren. Daarnaast waren er zorgen over de invloed van de pandemie op hun mentaal welbevinden, met name een toename in depressies en burn-out.

Voor jongvolwassenen had de coronaperiode vooral negatieve economische en sociale gevolgen. Hun ontwikkeling van kennis en vaardigheden werd bemoeilijkt door onderwijssluitingen, afstandsonderwijs en afgenomen stagemogelijkheden. Op de arbeidsmarkt werden zij bovenmatig geraakt door het wegvallen van bepaalde vormen van flexwerk –  bijvoorbeeld in de horeca – al werd dat deels gecompenseerd in andere sectoren – thuisbezorging, detailhandel – en matigde een overbruggingsregeling aanvankelijk de inkomensgevolgen van ‘flexwerkloosheid’.

In sociaal opzicht verschraalde het leven van jongvolwassenen doordat de pandemie en het coronabeleid de mogelijkheden beperkten om elkaar te ontmoeten en uit te gaan, in een levensfase waarin die vrijheden belangrijk zijn voor hun persoonlijke ontwikkeling en relatievorming. Er zijn signalen dat ook onder jongeren de eenzaamheid in 2020 toenam.

Leeftijd geen klassieke scheidslijn…

Een onderscheid of tegenstelling tussen groepen impliceert niet automatisch een maatschappelijke cleavage­. Hiervan is sprake indien uiteenlopende sociale posities en belangentegenstellingen samenvallen met verschillen in waarden, normen en identificaties, en doorwerken in politieke organisatie en (stem)gedrag. Een voorbeeld is de maatschappelijke kloof tussen de aanhangers van ‘bezitloze’ linkse en ‘bezittende’ rechtse partijen.

In de sociale wetenschappen staat leeftijd niet te boek als klassieke scheidslijn. De SCP-studie Verschil in Nederland constateerde in 2014 dan ook dat er geen leeftijdsoorlog gaande of aanstaande was. Wel is er volgens deze publicatie sprake van objectieve belangentegenstellingen tussen jong en oud op de woningmarkt en bij de verdeling van middelen voor onderwijs, zorg en pensioenen.

Ook de sociale afstand is groot: buiten de eigen familiekring treffen de twee leeftijdsgroepen elkaar weinig, ze delen weinig activiteiten, en verschillen in hun mediagebruik. Jongeren en ouderen wonen in Nederland echter tamelijk gemengd. Anders dan in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn er bovendien geen scherpe waardenconflicten tussen generaties.

Dat er geen scherpe scheidslijn tussen jong en oud bestaat laat zich verklaren doordat beide groepen intern heterogeen zijn. Verschillen naar opleidingsniveau, financiële middelen, religie, geslacht en migratie-achtergrond doorkruisen dan al snel het onderscheid naar leeftijd. Bovendien is er het existentiële gegeven dat iedereen ooit jong was of oud zal zijn, en men vaak verwanten heeft in de tegenovergestelde leeftijdsgroep. Dat maakt het gemakkelijker zich in de ander te verplaatsen dan bij traditionele maatschappelijke cleavages.

… ook niet na corona

Het is onwaarschijnlijk dat de pandemie dit beeld volledig heeft doen kantelen. Wel kwamen de economische en gezondheidsgerelateerde belangentegenstellingen tussen jong en oud scherper in beeld. Ook nam hun onderlinge sociale afstand verder toe, maar dat gebeurde bij andere groepen eveneens – een algemeen gevolg van het leven onder een pandemie.

Er zijn tot nu toe weinig aanwijzingen dat politieke organisatie die op leeftijd is gebaseerd door de coronaperiode is versterkt. De eerste golf zorgde vooral voor gevoelens van onderlinge verbondenheid en vertrouwen in elkaar en het regeringsbeleid, niet voor polarisatie tussen jong en oud.

Tijdens de huidige tweede golf zijn er jongeren die protesteren tegen de vrijheids- en onderwijsbeperkingen die zij ervaren. Ouderen hebben er soms moeite mee wanneer mensen de voorschriften niet naleven, omdat zij hogere infectierisico’s vrezen. Zulke verschillen duiden echter eerder op strijdpunten dan op waardenconflicten. Om de laatste tot stand te brengen duurt de coronaperiode vermoedelijk niet lang genoeg.

Daarnaast is ook hier sprake van heterogeniteit: er zijn niet-protesterende jongvolwassenen, en ouderen die zich minder bekommeren om de coronarichtlijnen. Ten slotte hebben veel (groot)ouders begrip voor de moeilijke positie waarin hun (klein)kinderen verkeren, en andersom.

Sociale klassen en leeftijdsverschillen

Uit de eerdergenoemde SCP-studie kwam naar voren dat de volwassen Nederlandse bevolking is op te delen in zes sociale klassen of segmenten. Die indeling is gebaseerd op een analyse van ongelijkheid in economische, sociale en culturele hulpbronnen, plus het zogenoemde persoonskapitaal: iemands gezondheid en aantrekkelijkheid. Vier groepen beschikten in 2014 over tamelijk veel van die kapitaalsoorten, maar twee andere – samen 29 procent van de volwassenen – bleven duidelijk achter. Daarom werd gesproken van een ‘zachte tweedeling’.

Doordat de opbouw en het verval van hulpbronnen verband houdt met leeftijd, zijn oud en jong niet evenredig over de sociale klassen verdeeld. Zestigplussers behoren vaak tot de comfortabel gepensioneerden – vierde in de rangschikking naar het totale kapitaal – en het precariaat, dat in alle opzichten achterblijft. Maar ouderen komen ook regelmatig voor in de groep met de meeste hulpbronnen, de gevestigde bovenlaag.

Jongvolwassenen zijn vooral te vinden in de op één na kapitaalkrachtigste groep, de jongere kansrijken; en in de onzekere werkenden, een groep met iets meer hulpbronnen dan het precariaat. In de omvangrijke werkende middengroep zijn beide leeftijdsgroepen ondervertegenwoordigd.

Kapitaalveranderingen door corona

De pandemie heeft mogelijk het reservoir aan hulpbronnen aangetast, of het relatieve belang van de vier typen kapitaal doen veranderen. Bij het economisch kapitaal is het van belang of deze periode blijvende littekens nalaat in de onderwijsloopbaan van scholieren en studenten; in de arbeidsmarktkansen en financiële positie van uitkeringsontvangers, werknemers en zelfstandigen; en in de pensioenen van huidige en toekomstige ouderen.

Het coronatijdvak beïnvloedde sociale netwerken doordat mensen hulpbehoevend werden, in het ziekenhuis belandden of verwanten getroffen werden, en vanwege social distancing-maatregelen. Omgekeerd bepaalde het netwerktype soms de infectierisico’s: wie veel ongestructureerde intermenselijke contacten had, beschikte tijdelijk over een gevaarlijke vorm van sociaal kapitaal. Het is voorstelbaar dat de bevolking post-corona meer belang gaat hechten aan het opbouwen en onderhouden van steunnetwerken. Sommige groepen kunnen hun sociaal kapitaal beter op peil brengen dan andere, en hebben wellicht meer oog voor het vermijden van liaisons dangereuses.

Cultureel kapitaal heeft een digitale component, en in allerlei leefsferen – leren, werken, consumeren, relatievorming – groeide het belang daarvan tijdens de pandemie. Veel mensen, onder wie ouderen, ontwikkelden nieuwe digitale vaardigheden, maar dit geldt vermoedelijk niet voor iedereen in dezelfde mate. De coronaperiode versnelt daardoor mogelijk een trend waarbij verschillen tussen digitale cans and cannots belangrijker worden voor de verdeling van levenskansen en maatschappelijke posities.

Bij het persoonskapitaal lijkt long Covid vooral unusual suspects  te treffen – relatief jonge mensen zonder andere aandoeningen. Als het een substantieel probleem blijkt, verdient de verdeling over sociale klassen aandacht. Dat geldt ook voor de langetermijngevolgen van de pandemie op de mentale gesteldheid van de verschillende kapitaalgroepen.

Door de toegenomen communicatie via videoplatforms werden esthetisch kapitaal en aesthetic labour voor sommige werkenden en werkzoekenden mogelijk van meer betekenis. Uiterlijke onvolkomenheden en afwijkende kleding komen bij zulke contacten immers scherp in beeld en kunnen een negatief oordeel opwekken. Dat kan een bestaande trend tot ‘esthetisering van de samenleving’ hebben versterkt.

Aan de andere kant lijkt de coronaperiode een zekere losheid van dress codes in de hand te hebben gewerkt, maar mogelijk beperkt dat zich tot groepen met een sterke arbeidsmarktpositie.

Mattheuseffecten in klassenstructuur

De hamvraag is of de positie die de zes kapitaalgroepen op de maatschappelijke ladder innemen door de pandemie is veranderd, en of de ‘zachte tweedeling’ daardoor harder werd. Het is te vroeg om daar antwoord op te geven: de structurele corona-invloed is nog niet uitgekristalliseerd. Die hangt mede af van de beleidsrespons bij de landelijke overheid en gemeenten, en van het gedrag van burgers, bedrijven en maatschappelijke partijen.

De mattheuseffecten die kunnen ontstaan zijn een punt van zorg. Groepen met veel kapitaal vullen hun hulpbronnen wellicht sneller of beter aan dan groepen die voor de pandemie al minder kapitaalkrachtig waren. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat bij 60-plussers de kapitaalverschillen tussen comfortabel gepensioneerden en oudere leden van het precariaat zullen toenemen. Onder jongvolwassenen is het denkbaar dat de hulpbronnen van jongere kansrijken en onzekere werkenden verder uit elkaar gaan lopen.

Cok Vrooman is hoogleraar sociale zekerheid en participatie aan de Universiteit Utrecht en wetenschappelijk strateeg bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Afbeelding van S. Hermann & F. Richter via Pixabay

Share on linkedin
LinkedIn
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *