Niet veel meer kinderen, maar veel meer zorg: dát is het probleem in de jeugdzorg

contemplating-4273865_1280

Vrijwel alle Nederlandse gemeenten, dus ook de Twentse, komen jaarlijks miljoenen tekort op de jeugdzorg. Doen ze het dan zo slecht? Integendeel. Uit recent onderzoek blijkt dat ze juist heel veel dingen goed doen. We toetsten vijf stellingen aan het rapport ‘Stelsel in Groei’ van onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF) en aan de jeugdwethouders June Nods van Enschede en Alex Langius Almelo.

De Twentsche Courant Tubantia publiceert de komende tijd in samenwerking met onderzoeksplatform Follow The Money en diverse regionale media een aantal verhalen over (de financiering van) jeugdzorg. Voor tips en ideeën: mail naar nieuwsdesk@tubantia.nl o.v.v. ‘Jeugdzorg’. 

1. Geen wonder dat steeds meer kinderen hulp nodig hebben. Dat komt natuurlijk door al die werkende ouders, vechtscheidingen en social mediagebruik.

Dat is deels waar. Begin deze eeuw kreeg ongeveer 1 op de 27 kinderen jeugdzorg, inmiddels is dat 1 op de 8. Er lijkt inderdaad een relatie te zijn met echtscheidingen, social media en veranderingen in de opvoeding.

Maar dat is niet het hele verhaal. Want het recente rapport Stelsel in Groei laat zien dat op dit moment niet de instroom, maar juist de trage uitstroom het grootste probleem is. De afgelopen vijf jaar, sinds gemeenten verantwoordelijk zijn voor jeugdzorg, stroomden elk jaar tussen de 140.000 en 150.000 kinderen in. De uitstroom is veel kleiner: elk jaar tussen de 125.000 en 135.000 kinderen. Het probleem is dus niet dat er steeds meer kinderen jeugdzorg nodig hebben, maar dat ze steeds langer blijven hangen. Daarnaast wordt de zorg duurder, onder meer door hogere salarissen en meer administratieve controles.

Nods: „Die conclusie is voor ons herkenbaar: de zorg per kind dreigt steeds duurder te worden. Wij werken daar al jaren aan en met succes: onze kosten per cliënt waren vijf jaar geleden veel hoger dan het landelijk gemiddelde maar nu liggen we ongeveer gelijk. Dat doen we door kinderen meer in hun eigen omgeving te helpen en minder te verwijzen naar dure instellingszorg. Evengoed moesten we de afgelopen vijf jaar zeker 30 miljoen bijleggen. Inmiddels kost jeugdzorg ons jaarlijks 50 miljoen.”

Langius: „Herkenbaar ja. In 2017 gaven we 17 miljoen uit aan jeugdzorg, vorig jaar ruim 34 miljoen. We zien ook dat de uitstroom stolt bij de vervolgzorg, waar wij geen grip op hebben. Dan gaat het over kinderen die in de jeugdzorg zijn uitbehandeld, maar niet kunnen doorstromen naar bijvoorbeeld specialistische woonvormen of de Wlz-zorg (Wet langdurige zorg), want daar zijn wachtlijsten en strenge toelatingseisen. Als gemeente willen we zo’n kind niet ín dre steek laten tot de volgende schakel in beweging komt. Dus die rekening komt bij ons terecht.”

2. Er zijn veel te veel zorgaanbieders, dan is het logisch dat de vraag zo toeneemt.

Het aantal jeugdzorgaanbieders explodeerde de afgelopen vijf jaar inderdaad. Ook in Twente kwamen er honderden aanbieders bij. En omdat er in diezelfde jaren een kostenexplosie plaatsvond, lijkt er een verband te zijn. Maar het AEF-rapport laat zien dat de instroom in de jeugdzorg desondanks gelijk bleef. Wel leidde de toename van aanbieders tot extra kosten voor bijvoorbeeld administratie en controle.

Nods: „Dat je bent ingeschreven als aanbieder betekent niet dat je dan ook automatisch cliënten krijgt. Van de 252 gecontracteerde aanbieders hebben er vorig jaar 189 voor ons gewerkt. Aanbieders bepalen zelf niet wie er zorgcliënt wordt, dat doen verwijzers, zoals wijkteams, artsen of de kinderbescherming. Die gaan echt niet méér verwijzen omdat er meer aanbieders beschikbaar zijn. Bovendien gaat 82 procent van het budget naar 20 procent van de aanbieders, grote instellingen als Jarabee, Karakter en Ambiq. Het overgrote deel van de kosten heeft dus niets te maken met de hoeveelheid aanbieders.”

„Ik ben voorstander van een ruim aanbod, dat is namelijk nodig om efficiënt hulp te verlenen. We willen alle soorten ondersteuning in huis hebben en je wilt de hulp zo dicht mogelijk bij een kind aanbieden. Dat betekent dat je een fijnmazig netwerk opbouwt en daar heb je veel aanbieders voor nodig.”

Langius: „Ik geloof niet dat het aanbod de vraag creëert. Maar het zou me wel wat waard zijn als we de beschikbare aanbieders anders kunnen inzetten. Bij ons gaat 90 procent van het geld naar 10 procent van de aanbieders. Heel dure, gespecialiseerde zorg, vaak met verblijf. Er zijn ongetwijfeld kinderen die dat echt nodig hebben. Maar er is volgens mij ook een grijs gebied van kinderen die buiten een instelling geholpen kunnen worden, met dezelfde aandacht, maar met een ander financieel plaatje. We hebben gezamenlijk de opdracht de jeugdzorg ook in de toekomst toegankelijk en betaalbaar te houden, en zoals we dat nu doen, lukt dat niet.”

3. Gemeenten kunnen dure behandelingen voorkomen als ze meer investeren in vroege opsporing en preventie.

De miljoenen die gemeenten investeerden in preventie en vroegsignalering leidden niet tot minder instroom, blijkt uit het onderzoek. Moet je dat wel blijven doen?

Nods: „Idee achter de decentralisatie van de jeugdzorg was dat gemeenten dichter bij de mensen staan en dus sneller en beter kunnen zien wie hulp nodig heeft. Dat is gelukt, onze wijkteams zijn een succes. Dat dat geld kost, en dat je dat niet terug ziet in een daling van de cijfers, dat zij dan maar zo. We kijken niet alleen naar de financiën, we vinden het belangrijk kwetsbare kinderen zo snel en zo goed mogelijk te helpen.”

Langius: „Ik ben wethouder van financiën dus ik let echt wel op de centen. Dat preventie nu nog niet leidt tot minder instroom wil niet zeggen dat je het dan maar niet meer moet doen. Misschien moet je het juist wel aanscherpen. Daarnaast proberen wij dure behandelingen te voorkomen door al in een vroeg stadium te sturen op maatwerk. Zo hebben we sinds een aantal jaren in de Almelose huisartsenpraktijken praktijkondersteuners. Die hebben wat meer tijd dan de huisarts om te kijken welke ondersteuning past bij de hulpvraag. Het heeft niet geleid tot minder verwijzingen, maar ik hoop dat op termijn zichtbaar wordt dat ze wel scherper kijken naar zwaarte en de duur van de hulptrajecten.”

4. Er wordt massaal gefraudeerd in de zorg.

Dat valt mee. Zoals eerder gezegd gaat het leeuwendeel van het jeugdzorggeld naar een paar grote, vaak hooggespecialiseerde aanbieders. Die staan onder voortdurend toezicht van de inspectie. Fraude speelt zich meestal af bij een klein aantal kleinere aanbieders. En hoewel het daarbij om vele tonnen gaat, is dat peanuts vergeleken bij de totale budgetten.

Nods: In Enschede hebben we de afgelopen twee jaar acht contracten met zorgaanbieders ontbonden. Aanpak van fraude kost veel tijd. Het is van belang om aan het begin te zorgen dat de goede aanbieders worden gecontracteerd.”

Langius: „Wij kunnen op het gemeentehuis wel twintig mensen neerzetten die elke dag alle facturen controleren. Maar als die hun eigen salaris niet terugverdienen moet je je afvragen wat je daarmee bereikt.”

„Ik geloof meer in goede controle aan de voorkant, zorgen dat je met betrouwbare aanbieders werkt. En die kun je dan ook het vertrouwen geven. “

5. Nu investeren in jeugdzorg bespaart over enkele jaren miljoenen aan andere zorg, zoals bijstand, medische kosten.

Nods: „Bij jeugdzorg heb je vooral te maken met kosten. De baten landen in andere domeinen. Als je nu een jongere stimuleert elke dag naar school te gaan, scheelt dat over tien jaar wellicht een bijstandsuitkering. Maar dat zie je nu nog niet, het is niet meetbaar. En afgezien van de financiële effecten: je wilt gewoon dat ieder kind dezelfde kansen krijgt op een fijne jeugd en een mooie toekomst. Daar zijn wij als overheid voor.”

Langius: „Ik geloof beslist dat goede jeugdzorg op termijn loont. Dat wil niet zeggen dat je nu die jaarlijks toenemende last maar voor lief moet nemen, dat is voor gemeenten onhoudbaar. En misschien moeten we als samenleving eens terug naar de realiteit. Er zijn nou eenmaal mensen met een vlekje, vroeger vonden we dat normaal. Als kinderen echt zwaar ontspoord of ernstig kwetsbaar zijn is ‘veel’ nog niet genoeg. Maar moet je hulp verlenen tot het leven weer 100 procent perfect is? Of mag je ook stoppen bij 80 procent en er van uitgaan dat iemand zichzelf daarmee ook kan redden?”

Angelique Kunst 27-03-21, 07:30 Laatste update: 27-03-21, 08:56

https://www.tubantia.nl/enschede/niet-veel-meer-kinderen-maar-veel-meer-zorg-dat-is-het-probleem-in-de-jeugdzorg~a9a84aea/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.linkedin.com%2F

Afbeelding van florentiabuckingham via Pixabay

Share on linkedin
LinkedIn
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

artikelen SDO
Summer Koster

Participatie van jongeren bij beleid

Kinderrechtenorganisaties deden recent weer opnieuw de oproep aan gemeenteraden om jongeren te betrekken bij de ontwikkeling van beleid. Dit signaal is de afgelopen jaren vaker

Read More »