Ingrijpende jeugdervaringen slecht voor onderwijs en ontwikkel kansen

child-830988__340

Kinderen die in hun jeugd te maken hadden met mishandeling of echtscheiding behalen een lager opleidingsniveau. Dat geldt ook voor degenen die opgroeien in welgestelde gezinnen. Sterker nog, juist voor kinderen uit een hoger sociaal milieu met veel cultureel kapitaal zijn de gevolgen relatief groot.

Door Carlijn BussemakersGerbert Kraaykamp
Sociale vraagstukken 1 juni 2020

In het maatschappelijk debat over onderwijsongelijkheid is veel aandacht voor de rol die ouders spelen bij het ontstaan van prestatieverschillen tussen kinderen. Zo is algemeen bekend dat kinderen uit gezinnen met beperkte financiële mogelijkheden het minder goed doen op school. Kinderen uit de hogere sociale milieus met veel culturele stimulering en ouderbetrokkenheid presteren veel beter. Uiteindelijk leiden dergelijke achtergrondverschillen tot ongelijkheid in het behaalde opleidingsniveau.

Ingrijpende ervaringen maken dat kinderen slechter presteren op school

Veel sociologisch onderzoek miskent dat de onderwijskansen van kinderen ook bepaald worden door jeugdervaringen zoals echtscheiding en mishandeling. Kinderen die zulke ingrijpende ervaringen meemaken, behalen uiteindelijk vaak een lager opleidingsniveau dan kinderen die hiervan verschoond blijven. De toegenomen stress, concentratieproblemen en de verminderde steun van ouders zorgen ervoor dat de schoolprestaties en -motivaties afnemen.

De gevolgen hiervan moeten niet worden onderschat. Kinderen van gescheiden ouders behalen gemiddeld één jaar minder onderwijs, in het geval van kindermishandeling is dat zelfs anderhalf jaar. De gevolgen van ingrijpende jeugdervaringen zijn daarmee vergelijkbaar met verschillen tussen kinderen uit de armste en rijkste gezinnen.

Het komt veel en in alle lagen van de bevolking voor

Ons onderzoek laat zien dat de helft van alle volwassen Nederlanders tijdens hun jeugd ten minste één ingrijpende ervaring heeft meegemaakt; een kwart maakt zelfs meerdere traumatische ervaringen mee. Ongeveer twintig procent van onze respondenten heeft kindermishandeling ervaren, en een aanzienlijk deel (ongeveer vijftien procent) groeide op in een gebroken gezin door scheiding of overlijden van een ouder.

Opmerkelijk is dat ingrijpende ervaringen bij kinderen uit alle lagen van de bevolking voorkomen. Wel zijn er verschillen als we inzoomen op meer specifieke ervaringen. Zo rapporteren kinderen van hoogopgeleide ouders vaker dat hun ouders zijn gescheiden, terwijl kinderen wiens ouders lager zijn opgeleid een hoger risico lopen op fysieke en emotionele mishandeling. Kinderen uit alle sociale milieus hebben dus risico geconfronteerd te worden met ingrijpende ervaringen, maar het type ervaring kan verschillen.

Rijkdom van ouders beschermt niet tegen slechtere onderwijskansen

Maar hebben die ingrijpende jeugdervaringen ook dezelfde gevolgen voor kinderen uit alle sociale milieus? Onze verwachting was dat bij kinderen uit meer welvarende gezinnen dergelijke ervaringen minder invloed zouden hebben op hun onderwijsloopbaan. Welvarende ouders kunnen zich immers gemakkelijker bijles, psychische hulp of praktische steun permitteren, waardoor de onderwijskansen van hun kinderen wellicht minder lijden onder ingrijpende ervaringen.

Dit blijkt niet zo te zijn. Kinderen uit rijke én arme gezinnen ondervinden vergelijkbare gevolgen van kindermishandeling, echtscheiding en overlijden van een ouder. De financiële mogelijkheden van ouders vormen dus geen buffer tegen de gevolgen van ingrijpende ervaringen voor onderwijsprestaties.

Kinderen met een betere startpositie hebben meer te verliezen

Een belangrijk resultaat van ons onderzoek is juist dat de gevolgen van ingrijpende jeugdervaringen groter zijn voor kinderen met een betere startpositie. De culturele achtergrond van ouders, het zogenaamde culturele kapitaal, speelt hierbij een belangrijke rol. In Nederland profiteren kinderen in hun schoolloopbaan vooral van ouderlijke culturele competentie, en minder van ouderlijke financiële middelen. Hoogopgeleide ouders met veel culturele competentie stimuleren bijvoorbeeld actief het leesgedrag van hun kinderen, brengen hun kinderen de normen en waarden van het (hoger) onderwijs bij, en spreiden een meer elitaire leefstijl ten toon. Dit alles kan kinderen helpen in het onderwijs.

Ons onderzoek laat echter zien dat dit voordeel teniet wordt gedaan door echtscheiding, verwaarlozing en kindermishandeling. Het lijkt erop dat dergelijke ingrijpende ervaringen de ouder-kind relatie zodanig schaden dat kinderen aanzienlijk minder van de culturele hulpbronnen van hun ouders profiteren. Dit houdt in dat kinderen van hoogopgeleide ouders niet alleen de directe gevolgen van ingrijpende ervaringen voor hun onderwijsloopbaan ervaren, maar daarbovenop ook nog eens minder voordeel hebben van de culturele hulpbronnen van hun ouders. De gevolgen van ingrijpende jeugdervaringen zijn daarmee relatief groot voor kinderen van ouders met veel culturele hulpbronnen.

Er is een breder perspectief op onderwijsongelijkheid nodig

Ons onderzoek benadrukt dat we verder moeten kijken dan de sociaaleconomische familieachtergrond om onderwijsongelijkheid in Nederland te begrijpen. Kinderen van ouders met minder financiële en culturele hulpbronnen behalen inderdaad een lager opleidingsniveau, maar dit geldt evengoed voor kinderen die thuis geconfronteerd worden met ingrijpende ervaringen als echtscheiding en mishandeling. Deze ervaringen komen onder alle lagen van de bevolking voor, en beperken juist de onderwijskansen van kinderen met een goede startpositie. Daarom is een breder perspectief op ongelijkheid nodig.

Er moet aandacht zijn voor kinderen uit alle lagen van de bevolking in de preventie van ingrijpende gebeurtenissen in de jeugd en het inperken van de gevolgen ervan. Daarbij lijkt het van belang vooral naar ondersteuning door scholen, gemeenten en sociale netwerken buiten het gezin te kijken, aangezien de aanwezige hulpbronnen in gezinnen de negatieve gevolgen voor de onderwijscarrière van kinderen niet tegen lijken te gaan.

Carlijn Bussemakers is werkt als promovendus bij de afdeling sociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Gerbert Kraaykamp is hoogleraar Empirische Sociologie aldaar.

Share on linkedin
LinkedIn
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *