Jeugdzorg, zorg dat je als gemeente in control bent

people-1560569_1280

Jeugdzorginstellingen die in zwaar weer verkeren of zelfs omvallen, maar ook zorgaanbieders die opmerkelijk hoge winsten maken en die winst vervolgens laten verdwijnen in de zakken van eigenaren en directeuren. Het zijn zaken die de continuïteit van cruciale jeugdhulp bedreigen. We lezen er helaas maar al te vaak over in de media. En wat blijkt, ook gemeenten worden vaak overvallen door dergelijke berichtgeving, omdat ze nauwelijks zicht hebben op de besteding van zorggelden. Dat kan en moet wat ons betreft anders. Gemeenschapsgeld bestemd voor de zorg kan en mag niet verdwijnen uit die zorg.

Tim Robbe, Paul Kagie & Frans van Mierlo

De problemen, zoals hier geschetst, zijn ontstaan sinds de decentralisatie van de zorg. Op 1 januari 2015 was het zover: gemeenten kregen onder meer de verantwoordelijkheid voor vrijwel alle zorg en ondersteuning voor kinderen en jongeren. Op dat moment werden gemeenten ook verantwoordelijk voor de controle op de rechtmatige besteding van het zorggeld dat hiervoor beschikbaar werd gesteld vanuit Den Haag. Voor alle gemeenten samen zo’n 3,5 miljard euro per jaar. Per gemeente variëren de budgetten van enkele miljoenen tot zo’n 140 miljoen euro voor Amsterdam.

In de praktijk is gebleken dat veel gemeenten sinds 2015 vooral bezig zijn geweest met de vraag of iedere jeugdige die behoefte heeft aan zorg deze zorg ook krijgt. Vervolgens stond de vraag voorop of deze zorg kon worden verleend binnen het beschikbare budget. Een op het oog logische gang van zaken wanneer je als gemeentelijke organisatie ineens te maken krijgt met een enorme verandering, zoals de decentralisatie van de (jeugd)zorg. Een scherp oog van gemeentezijde voor de financiële huishouding en bedrijfsvoering van zorgaanbieders is er door deze prioriteitstelling echter bij ingeschoten.

In de Tweede Kamer zien we de laatste jaren een groeiende aandacht voor de financiën van de jeugdzorg. De groeiende vraag naar jeugdhulp versus de grenzen aan de beschikbare middelen dwingen daartoe. Het Tweede Kamerlid Attje Kuiken (PvdA) legde in november tijdens de beraadslagingen in de Tweede Kamer de vinger op de excessieve winsten:

“Op het gebied van marktwerking zijn er ook zorgen over de zorgcowboys die je in het hele zorglandschap, maar ook in de jeugdzorg ziet. Winstpercentages van 35% zijn geen uitzondering. Ik wil dat daar een einde aan komt. Kunnen we die winstpercentages niet maximeren, op basis van wat men verdient en wat het kost, bijvoorbeeld 10% of 15%? Dat is nog steeds veel, maar dan maken we in ieder geval een slag om die cowboys een halt toe te roepen.”(1)

Minister De Jonge reageerde in de beraadslagingen als volgt:

“De winstpercentages die mevrouw Kuiken noemde zijn natuurlijk volstrekt bizar. Dan kun je zeggen; gemeenten kunnen toch zeker ook gewoon de jaarverslagen inzien en als ze dit soort winstpercentages zien, gewoon de stekker eruit trekken? Of ze zouden eerst een gesprek kunnen voeren. Dat zou misschien aardig zijn en de goede volgorde. Maar dan nog zou ik denken dat we daar met elkaar best wat normerender in mogen zijn. Dat gaan we in andere delen van de zorg in ieder geval ook doen. Het is dus heel wel denkbaar dat we daar de jeugd in meenemen, zeg ik tegen mevrouw Kuiken. Volgens mij bent u daar naar op zoek. Dat gaan we wat mij betreft ook doen.”(2)

Vervolgens werd de volgende motie van Kuiken en René Peters (CDA) door de kamer overgenomen:

“Overwegende dat goede zorg geleverd voor reële tarieven haalbaar en wenselijk is; Constaterende dat enkele zorgaanbieders buitenproportionele winsten behalen van soms wel 35%; Overwegende dat zogenaamde ‘zorgcowboys’ de uitwassen van de marktwerking van het zorgsysteem zijn en moeten worden aangepakt; Verzoekt de regering, in samenspraak met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd te onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om deze excessieve winstuitkeringen door jeugdhulpaanbieders tegen te gaan, en de Kamer hier voor 1 maart 2020 over te informeren.” Ingediend door de Kamerleden Kuiken Peters”.(3)

Naar aanleiding van het onderzoek ‘Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen’ dat 21 januari 2020 naar de Tweede Kamer werd gestuurd door minister De Jonge reageerde het Tweede Kamerlid René Peters in zijn blog als volgt:

“Dat er grote tekorten zijn binnen de jeugdzorg, dat weten we. Waar ze vandaan komen, weten we niet. Mede op mijn aandringen heeft het ministerie een diepgaand onderzoek beloofd. In de wandelgangen ook wel een “follow the money onderzoek” genoemd. Het onderzoek hebben we gehad. Maar het is niet goed genoeg.” In vragen aan de minister vraagt Peters vervolgens: “Hoe waarborgt u dan dat het vervolgonderzoek daadwerkelijk een ‘follow the money’-onderzoek wordt waaruit heel helder duidelijk wordt waar gemeentelijk jeugdzorggeld daadwerkelijk heen gaat?”(4)

Het antwoord van de minister luidde als volgt: “Het vervolgonderzoek heeft tot doel om te bepalen of, en zo ja in welke mate, er structureel extra middelen nodig zijn voor jeugd. Het heeft dus niet als doel om een ‘follow the money’-onderzoek te worden.”(5)

Het Tweede Kamerlid René Peters vraagt om een “Follow the Money”- onderzoek en krijgt daar een negatief antwoord op van de minister. Dat ontslaat de gemeenten er echter niet van om zelf de handschoen op te pakken. De gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het toezicht op de besteding van de beschikbare middelen door de jeugdzorgvoorzieningen op lokaal en regionaal niveau. Om tot een financieel gezond, en daarmee houdbaar, lokaal en regionaal jeugdzorgstelsel te komen, moeten ook de gemeenten hun toezichthoudende rol inhoud geven. Extra middelen claimen voor de uitvoering van de Jeugdwet in de Den Haag is één, maar kritisch kijken naar de besteding van de gemeentelijke Jeugdzorgmiddelen hoeft niet te wachten op de eventuele honorering van deze claim.

In de Kamerbrief Perspectief voor de Jeugd van 20 maart jl. wezen de ministers Hugo de Jonge en Sander Dekker terecht op het nu al beschikbare instrumentarium, om te sturen op kwaliteit én rechtmatigheid. Gemeenten hebben namelijk de mogelijkheid om de jaarstukken van gecontracteerde partijen in te zien. Subtiel voegen zij daaraan toe dat het ‘belangrijk is deze mogelijkheden in de praktijk te benutten’.(6)

De jaarcijfers van zorgondernemingen ophalen is éénvoudig te doen

Wij zijn gericht aan de slag gegaan met het inzien van de financiële jaarstukken van zorgondernemingen en met resultaat. Dit door op de website van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de voor iedereen toegankelijke gedeponeerde jaarverantwoordingsdocumenten van jeugdzorginstellingen op te halen. We hebben jaarcijfers van jeugdzorgondernemingen tegen het licht gehouden. Daarbij hebben we ons gericht op enkele snel- groeiers binnen het jeugdzorgveld zoals dyslexiecentra, praktijken voor begeleiding bij leer- en gedragsproblemen en gezinshuizen. Onze bevindingen zullen we de komende weken publiek maken. Onderstaand gaan we nader in op onze observaties inzake de gezinshuizen.

Gezinshuizen zijn een kleinschalige vorm van jeugdhulp – georganiseerd vanuit een natuurlijk gezinssysteem. De gezinshuisouders bieden 24×7 opvoeding, ondersteuning en zorg aan jeugdigen die tijdelijk of langdurig bij hen zijn geplaatst.

Gezinshuizen

De gepresenteerde cijfers hebben we nader bekeken met behulp van de gedeponeerde jaarverantwoordingsdocumenten 2017, 2018 en 2019. Deze cijfers zijn één op één overgenomen uit de gedeponeerde stukken. We hebben in de overzichten de volgende zaken in beeld gebracht:

  • Bedrijfsopbrengst (B.O.)
  • Bedrijfsresultaat na afdracht belastingen: oftewel Rendement/Netto Winst (N.W.)
  • Winstpercentage: % verhouding Bedrijfsopbrengst en bedrijfsresultaat. (W%)

Voorts hebben we de ontwikkeling op een rij gezet van:

  • de liquiditeit oftewel wat staat er op de bankrekening / het banksaldo
  • het eigen vermogen: het verschil tussen alle bezittingen en de schulden.

Het totaalbeeld van de 80 gezinshuizen over de laatste drie jaar:

afbeelding 1

De bekostiging van de 80 gezinshuizen komt voor negentig procent vanuit de Jeugdwet, oftewel van de gemeenten.

Nettowinst, oftewel rendement

Rendement oftewel winst: de bedrijfsopbrengst afgezet tegen het bedrijfsresultaat. In onderstaand overzicht hebben we een streep getrokken bij een winst van 35% of meer, in lijn met de kwalificatie buitenproportionele winsten van 35% of meer van de Kamerleden Kuiken en Peters (R>35%).

In het hierbij opgenomen overzicht van deze tachtig huizen (zie bijlage 1 onderaan dit artikel) hebben we de bedrijfsopbrengst (B.O.) naast de nettowinst (N.W.) gezet en daarvan afgeleid het winstpercentage (W%) bepaald. Onderstaande de eerste en laatste 5 van de 80 huizen op basis van het 35% criterium.

afbeelding 1

Uit de doorlichting blijkt dat 38 van de 80 huizen in de jaren 2017, 2018 en 2019 drie jaar op een rij een winstpercentage hebben behaald van 35% of meer. De cijfers m.b.t. de bedrijfsopbrengst en het bedrijfsresultaat na afdracht van belastingen, zijn één op één opgehaald uit de bij het ministerie van VWS gedeponeerde verantwoordingstukken. Het winstpercentage is op basis daarvan door ons berekend. In bijlage 1 het totaal van de 80 huizen.

Liquiditeit en eigen vermogen van de tachtig huizen

In bijlage 2 zit het overzicht van de tachtig gezinshuizen met de ontwikkeling van de liquide middelen/saldo bankrekening en de ontwikkeling van het eigen vermogen in de afgelopen drie jaar. Het totaal beeld van de tachtig huizen:

afbeelding 1

Productiegegevens

De jaarverantwoording van de jeugdzorgondernemers geeft een zeer beperkte weergave als het gaat om het aantal geplaatste jeugdigen, oftewel om de productiegegevens. Er wordt slechts onderscheid gemaakt in de gestarte trajecten al dan niet in een crisissituatie. Belangrijke gegevens ontbreken, zoals de doorlooptijd van een traject en aan hoeveel kinderen zorg wordt geboden. Bij een derde van de huizen zijn geen productiegegevens opgevoerd.

Onze observatie: exorbitante winsten zijn gangbaar

Wanneer we een blik werpen op de cijfers van deze tachtig huizen is het runnen van een gezinshuis voor een substantieel deel van de zorgondernemers van de huizen een wel zeer aantrekkelijk verdienmodel. Grote vraag is of gemeenten weet hebben van deze cijfers. Wij vermoeden van niet. De oorzaak is mogelijk gelegen in het feit dat in de huizen doorgaans kinderen worden geplaatst uit meerdere gemeenten. De verwijzende zorgmedewerkers zijn primair doende met de plaatsing van de jeugdigen en niet met de zakelijke kant. De gemeentelijke inkopers berekenen de redelijke tarieven voor de zorg, maar nemen als uitgangspunt vooral de grote, belangrijke jeugdhulpaanbieders met hoge(re) overhead en lage(re) productiviteit. Daarmee is de kleinere zorgonderneming feitelijk van niemand. Daardoor kan hier de praktijk van exorbitant hoge winsten ontstaan.

Maak werk van de controle op de Jeugdzorgondernemingen

Het ophalen en bestuderen van de jaarcijfers van zorgaanbieders zou wat ons betreft binnen gemeenten tot de taak van de vaste relatiemanager moeten behoren. Het is de moeite waard, zeker wanneer hier consequent werk van wordt gemaakt, bijvoorbeeld door deze financiële controlecomponent vast onderdeel te maken van periodieke gesprekken met zorgaanbieders. Een investering in controle die zich terugverdient, omdat gemeenschapsgeld bestemd voor de zorg door dit betere toezicht vanuit gemeenten niet langer kan verdwijnen uit die zorg. Daarnaast is het zaak beter na te denken over wat zorg mag kosten en wat ondernemers daaraan mogen verdienen. Hoge overhead, lage productiviteit bij grote jeugdhulpaanbieders – ook onacceptabel – moeten niet leiden tot ‘redelijke tarieven’ die maken dat andere ondernemers (te) hoge winsten maken. Winsten in de maatvoering zoals hier aan de orde, behoren voor ons tot de categorie buitensporige winsten die maatschappelijk onacceptabel zijn. Gemeenten; het gebeurt onder jullie eigen verantwoordelijkheid.

Bijlagen 1 en 2

Tim Robbe is advocaat-partner bij Victor Advocaten en consultant bij Kagie & Robbe. Paul Kagie was o.a. wethouder bij de gemeente ‘S-Hertogenbosch en is consultant bij Kagie & Robbe. Frans van Mierlo is senior consultant in het sociaal domein.

Verder lezen over dit thema? Bekijk dan het dossier Jeugdhulp

(1) Verslag van Wetgevingsoverleg De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport Tweede Kamer der Staten Generaal, 18-11-2019 p. 32
(2) Verslag van Wetgevingsoverleg De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport Tweede Kamer der Staten Generaal, 18-11-2019 p. 57
(3) Motie van de leden Kuiken en Peters TK 18-11-219 Tweede Kamer vergaderjaar 2019-2020, 35 300 XVI, nr.100
(4) Vragen van Tweede Kamerlid Peters 23-1-2020
(5) Antwoordbrief min. Hugo de Jonge op de vragen van het Kamerlid Peters (CDA) over het verdiepend onderzoek naar ‘inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen’ 20-6-2020
(6) Kamerbrief Perspectief voor de Jeugd 20-3-2020

https://www.sociaalweb.nl/blogs/jeugdzorg-zorg-dat-je-als-gemeente-in-control-bent

Afbeelding van Hai Nguyen Tien via Pixabay

Share on linkedin
LinkedIn
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *